Voor 1 juli is WRO van toepassing met nadien bouwvergunning aangevraagd
11-1-2010
Het per 1 juli 2008 gewijzigde art. 46.3 Woningwet is niet van toepassing wanneer reeds voor 1 juli 2008 om vrijstelling op grond van de WRO (oud) is verzocht. De vrijstelling kan gebruikt worden wanneer de bouwvergunning na 1 juli 2008 wordt ingediend.
Rechtbank Zwolle
mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19 Woningwet 46 lid 3
het College van burgemeester en wethouders van Almere,verweerder.
Verlenen vrijstelling (19.2 WRO) en bouwvergunning voor realisatie praktijkschool.Het verzoek om vrijstelling ex art. 19 WRO is door verweerder ontvangen op of omstreeks 20 september 2007. Hieruit volgt dat het verzoek om verlening van vrijstelling in dit geval wordt beheerst door de WRO (oud). De omstandigheid dat de aanvraag bouwvergunning, waarop het vrijstellingsverzoek ziet, is ingediend na 1 juli 2008 maakt dat niet anders. Het per 1 juli 2008 gewijzigde art. 46, derde lid, van de Woningwet bepaalt weliswaar onder meer dat wanneer sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan de aanvraag bouwvergunning tevens moet worden aangemerkt als een verzoek om ontheffing dan wel om een projectbesluit als bedoeld in de Wro, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze bepaling niet van toepassing wanneer reeds voor 1 juli 2008 om vrijstelling op grond van de WRO (oud) is verzocht.
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter
Registratienummer: Awb 09/1903
Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
in het geding tussen:
(…),
gevestigd te Almere, verzoeker,
gemachtigde: mr. M. Jue,
en
het College van burgemeester en wethouders van Almere,
verweerder,
en
Dienst Stadsbeheer Gegevens en Gebouwen van de gemeente Almere, belanghebbende.
1.Procesverloop
Bij brief van 20 september 2007 heeft de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs verweerder verzocht om door middel van een vrijstelling van het bestemmingsplan de realisatie van een praktijkschool ter hoogte van het Botticellipad-Koningsbeltweg te Almere mogelijk te maken.
Op 18 februari 2009 heeft verweerder van belanghebbende een aanvraag om reguliere bouwvergunning ontvangen voor het bouwen van een praktijkschool op het perceel 2Y Sallandsekant (Botticellipad/Koningsbeltweg) te Almere.
Namens verzoeker is bij schrijven van 11 mei 2009 een zienswijze ingediend tegen het voornemen vrijstelling ex artikel 19, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO)
te verlenen ten behoeve van de praktijkschool.
Bij besluit van 2 september 2009 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid van de WRO, onder weerlegging van de ingebrachte zienswijzen vrijstelling verleend ten behoeve van vorenbedoeld bouwplan.
Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder voor dit bouwplan bouwvergunning verleend.
Op 12 oktober 2009 is namens verzoeker zowel tegen de verleende vrijstelling als de bouwvergunning bezwaar gemaakt.
Bij schrijven van 4 november 2009 is namens verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is op 4 december 2009 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen bij
(…), penningmeester, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Namens verweerder en belanghebbende zijn verschenen mr. I. Smeenk, drs. R. van der Straaten en mw. Duran.
2.Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Nu belanghebbende is gestart met het bouwrijp maken van het terrein waarop de praktijkschool gebouwd dient te worden, heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang.
Het in geding zijnde bouwplan betreft het bouwen en gebruiken van een praktijkschool als voorziening in voortgezet onderwijs met inbegrip van onderschikte detailhandel met een maximum van 100 m² bedrijfsvloeroppervlak, bijbehorende voorzieningen en werken, waaronder voorzieningen voor parkeren van auto’s en (brom)fietsen, en opstelplek voor de brandweer, een logistiek terrein, containerboxen, straatmeubilair, beplanting, alsmede op het verbreden en het gebruiken van het Botticellipad voor motorvoertuigen, een en ander zoals weergegeven op de bij de aanvraag om bouwvergunning gevoegde tekeningen.
Ter plaatse is het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Sallandsekant 2Y” van kracht. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op de in geding zijnde gronden de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”.
Vast staat, en door partijen wordt niet bestreden, dat het in geding zijnde bouwplan in strijd is met de ingevolge het vigerende bestemmingsplan gelden bebouwingsvoorschriften, omdat
-het bouwen en gebruiken van een voorziening voor voortgezet onderwijs niet mogelijk is binnen de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”;
-ondergeschikte detailhandel niet mogelijk is binnen de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”;
-niet binnen een afstand van 4 meter van de zijdelingse perceelsgrens gebouwd mag worden.
Daarnaast is het verbreden van het Botticellipad en het gebruiken van dit pad door motorvoertuigen, alsmede het uitwegen op dit pad binnen de bestemming “Groendoeleinden” niet toegestaan.
Om desondanks voor het bouwplan bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft verweerder gebruik gemaakt van de in artikel 19, tweede lid, van de WRO opgenomen bevoegdheid tot vrijstelling.
Namens verzoeker is gesteld dat verweerder de verkeerde procedure heeft gevolgd, omdat de aanvraag voor de bouw van de praktijkschool dateert van 18 februari 2009. Omdat de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 in werking is getreden, kan verweerder geen vrijstelling verlenen op basis van artikel 19, tweede lid van de WRO.
Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.10 van de Invoeringswet blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Het verzoek om vrijstelling is door verweerder ontvangen op of omstreeks 20 september 2007. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het verzoek om verlening van vrijstelling in dit geval wordt beheerst door de WRO (oud). De omstandigheid dat de aanvraag bouwvergunning, waarop het vrijstellingsverzoek ziet, is ingediend na 1 juli 2008 maakt dat niet anders. Het per 1 juli 2008 gewijzigde artikel 46, derde lid, van de Woningwet bepaalt weliswaar onder meer dat wanneer sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan de aanvraag bouwvergunning tevens moet worden aangemerkt als een verzoek om ontheffing dan wel om een projectbesluit als bedoeld in de Wro, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze bepaling niet van toepassing wanneer reeds voor 1 juli 2008
om vrijstelling op grond van de WRO (oud) is verzocht.
Verzoeker heeft vervolgens gesteld dat verweerder in zijn besluit ambtshalve vrijstelling heeft verleend ten behoeve van ondergeschikte horeca en aan het onderwijs ondergeschikte detailhandel. Nu horeca en detailhandel geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag is verweerder naar de mening van verzoeker niet bevoegd daarvoor een vrijstelling te verlenen.
Ter zitting is van de zijde van verweerder aangegeven dat het hierbij niet gaat om het drijven van een restaurant of een verkooppunt, maar dat het gaat om activiteiten om leerlingen met een vak kennis te laten maken. Zo kan gedacht worden aan catering waarbij leerlingen voedsel bereiden voor derden buiten de school. Ten aanzien van de detailhandel is als voorbeeld genoemd het verkopen van het overschot aan plantjes uit de kas.
Deze activiteiten zullen in het vrijstellingsbesluit nader aangevuld worden.
Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrijstelling past bij de aanvraag om vrijstelling voor de vestiging van een nieuwe praktijkschool nu het gaat om aan het praktijkonderwijs ondergeschikte horeca en detailhandel.
Ten aanzien van het door verzoeker gestelde over te verwachten parkeeroverlast en toename van verkeersintensiteit en -onveiligheid wijst de voorzieningenrechter op de door verweerder bij de stukken gevoegde rapportages d.d. 10 juli 2009 van L. Graat. Door verzoeker is
- mogelijk door het indienen van een contra-expertise - niet aannemelijk gemaakt, dat
de inhoud van deze verkeerskundige onderbouwing onjuist zou zijn.
De gestelde overlast van met de bus pendelende leerlingen van de praktijkschool is gebaseerd op vrees van de zijde van verzoeker. Zoals verweerder in zijn vrijstellingsbesluit heeft aangegeven zullen, als daartoe aanleiding bestaat, overlast veroorzakende leerlingen direct terechtgewezen worden. Door de beperkte omvang van de school en de vorm van het onderwijs, is er sprake van intensief toezicht door leerkrachten. Daarnaast heeft verweerder verzoeker aangeboden contractspartij te worden bij een tussen de gemeente, Pro Almere en de Vereniging Bedrijfskring Almere Sallandsekant te sluiten overeenkomst waarin onder andere verplichtingen zijn opgenomen ter voorkoming van overlast.
De voorzieningenrechter is mede gelet hierop van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake zal zijn van aanmerkelijke overlast. Niet is gebleken dat verweerder in dit opzicht een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt.
Voor wat betreft het namens verzoeker gestelde omtrent de locatiekeuze volstaat de voorzieningenrechter met een verwijzing naar hetgeen hieromtrent is gesteld in de ruimtelijke onderbouwing, behorende bij het vrijstellingsbesluit, en het gestelde in het verweerschrift.
Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze ruimtelijke onderbouwing in strijd is
met het recht en heeft ook niet gesteld noch aannemelijk gemaakt dat er in Almere een andere gelijk geschikte locatie voor de vestiging van de praktijkschool voorhanden is met aanmerkelijk minder bezwaren voor omwonenden dan door verzoeker worden gevreesd.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit naar voorlopig oordeel rechtmatig is.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt om die reden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank
-wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en door deze en
Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
11 december 2009.
Klik hier voor meer informatie over de Woningwet
|